Columns - Archief

Eerder gepubliceerde colums.

Columns gepubliceerd in februari 2010.

Columns uit aug-dec 2010
Columns uit april 2010
Columns uit januari 2010
Columns uit nov. en dec. 2009

Schaken als een trein

Iedereen die mij een beetje kent, weet dat ik een behoorlijke treingek ben. En zo kwam het dat ik laatst in treinen ten zuiden van de grote rivieren zat. In de eerste trein zaten twee oudere dames tegen elkaar te praten. Het waren net typetjes. Hardop het cryptogram van het Limburgs Dagblad oplossen. Daarna tenminste een goed gesprek: "Hed ge 't geheurd, in België zijn bijna weer twe treinen op mekaar gebotst, het is ook altijd wat met die Belgen." "Nou, ze zijn tenminste wel altijd sympathiek, dat is met Nederlanders wel anders!" "Daar ben ik ´t nie mee eens!", zei de mevrouw links iets te nors (!)

Ik durf hier geen uitspraken over te doen. Hoewel Nederlanders wereldkampioen zeuren zijn, schaak ik toch altijd met veel plezier tegen ze. Maar op internet kan ik ook goede gesprekken voeren met Spanjaarden, Australiërs en zelfs Amerikanen.

Terug naar mijn reis, waar ik overstapte op een treintje van de duivelse maatschappij Veolia. Naast me zat een moeder met kind (hooguit twee jaar oud): "Moet die meneer niet instappen?" "Nee jong, de deuren zijn al dicht. Kiek, de trein rijdt alweer." "Pech. Te laat!" was de gevatte uitspraak van het kind. Toen dat tot me doordrong, zat ik met het vervelende idee dat dit eigenlijk de laatste tijd vaak mijn gedachte is tijdens een schaakpartij. Ik had het bedachte plan twee zetten eerder uit moeten voeren. Helaas, nu heeft de trein al teveel vertraging. De trein van de tegenstander mag voorlangs en komt eerder op station 'Winst' aan. Volgende keer beter, dit partijtje is verloren.

Schaken en treinen is als water en siroop: het mengt prima met elkaar. Zo heeft vertegenwoordiger van Bekend schakend Nederland Tim Krabbé vorig jaar nog een aantal partijtjes tegen normale mensen gespeeld. In de trein.

Schaken is ook een spel van het positivisme. Anders komt er niks van het aanvallen terecht, je moet altijd ergens op kunnen hopen. Soms stap ik zo negatief een spel in, dat wanneer ik met zwart speel, ik mezelf zie als een machinist van een trein die al vanaf zijn vertrekpunt vertraging heeft. Als het tegenzit, heb ik onderweg ook nog eens lastige passagiers mee, waardoor de concentratie helemaal ver te zoeken is. De trein gaat onderweg kapot.

Gelukkig ben ik ook wel eens in een Thalys geweest, die me binnen het half uur naar station ´Winst´ bracht. Het wordt helemaal fijn, als ik vlak voor het einde ook nog even met een wagonnetje mag combineren. Het keihard afstraffen met een combinatie zou - ik ben het eens met de andere columnisten - beloond moeten worden met 2-0.

En dan nog de categorie waarbij je urenlang in een trein kan zitten, met geen station in zicht. Dan weet je het wel: je krijgt geen station te zien, maar wordt samen met de andere trein rechtstreeks naar de remise weggerangeerd. Afhankelijk van de situatie is er misschien nog een lange weg naar huis te gaan.

In dit geval zijn er twee even lange treinen met elkaar het strijdtoneel opgereden. Maar ja, soms kom je treinen tegen met zoveel sterke motoren, daar valt niet tegen op te boksen. Het enige wat je dan kan doen, is je trein nog eens flink op te poetsen, en zonder remmen je in de strijd te werpen.

Bert Hollander
27-02-2010


Schaken is kunst

Wikipedia stelt dat schaken een spel is tussen twee spelers. Met een dergelijke omschrijving wordt schaken echter te kort gedaan. Anatoly Karpov zei ooit: " Chess is everything: art, science and sport." Dat het een sport is blijkt uit het competitieve element in het spel. Met wetenschap zijn de laatste jaren ook vorderingen gemaakt, zeker als we kijken naar de opkomst van de computers. Karpov begint echter met kunst. Maar wanneer is schaken kunst?

Kunst is een expressie van mens of kunstenaar. Het doet vaak een beroep op het gevoel en esthetiek. Kunst heeft de vooropgestelde bedoeling de geest en zintuigen te prikkelen. Al deze zaken zijn natuurlijk subjectief, maar wel herkenbaar voor velen. Hoeveel mensen bewonderen wel niet de grote avonturen op schermen bij het Corus toernooi?

Bekende partijen die iedereen vol verwondering zullen naspelen zijn genoeg te vinden in de lange geschiedenis van het schaken. De Onsterfelijke partij tussen Adolf Anderssen en Lionel Kieseritzky. Anderssen offert een dame en twee torens om de winst binnen te slepen. De Opera partij tussen Paul Morphy en twee sterke amateurs (consultatieschaak). Ook in deze partij wordt op stijlvolle manier veel materiaal geofferd om het punt binnen te halen. Deze partijen zijn voorbeelden van de romantische periode waarin zij zijn gespeeld. Typerend is het offeren van veel materiaal. Offeren wordt door veel schakers nog steeds gezien als een esthetisch manier om te winnen. Het summun is uiteraard het dameoffer.

Ook in de recentere geschiedenis van het schaken komen mooie partijen voor. Deze partijen zijn vaak minder spectaculair dan de eerder genoemde partijen. Niet in de laatste plaats doordat het niveau van de schakers is gestegen. Sommige partijen zijn juist heel subtiel.

Een voorbeeld van een bekende partij met weinig offeren (in vergelijking met de eerder genoemde partijen) is 16e partij van het wereldkampioenschap 1985 tussen Karpov en Kasparov. In deze partij laat Kasparov met zwart zien hoe sterk een paard op het veld d3 kan zijn. Het paard kreeg de naam "de octopus". Meer recent offerde Kasparov in Wijk aan Zee een toren. Dit offer kwam helemaal uit de lucht vallen en is door sommigen de diepste combinatie van een menselijk speler benoemd. Kaparov noemde deze partij zijn beste prestatie uit zijn schaakcarrière. De partij is omgedoopt tot de parel van Wijk aan Zee.

Natuurlijk zijn alleen wereldkampioenen en wereldschakers genoemd in deze lijst van partijen. Dit betekent niet dat we op onze club geen kunst kennen. Iedereen die het schaken enige tijd beoefent, kent partijen waar hij trots op is. Voor mij persoonlijk zijn dat niet noodzakelijk de partijen die ik snel win. Tegenwoordig maak ik er een sport van om partijen eerst slecht te beginnen om te eindigen met een half of zelfs heel punt. Dit zijn nauwelijks partijen waar ik trots op kan zijn. In deze partijen moet ik me vastklampen aan een paar redelijke momenten.

In de column "Winnen is winnen" wordt terecht aangegeven dat de score niks zegt over de kwaliteit van de partij. Een van de partijen waar ik (tot op zekere hoogte) trots op ben staat reeds op de site. De combinatie maakt het einde spectaculair. Het is overigens niet de zet zelf, maar het idee dat erachter zit. Het was van tevoren bedacht en prikkelde in ieder geval mijn geest. Mikhail Botvinnik noemde schaken "the art of analysis". Dit zou mijns inziens vooraf moeten. Soms blijkt achteraf pas hoe goed een zet was. Dergelijke partijen geven mij niet dezelfde voldoening.

Misschien erger dan goede zetten achteraf is winnen met een niet correcte combinatie. Wilhelm Steinitz heeft ooit gezegd: "A win by an unsound combination, however showy, fills me with artistic horror." Hier spreekt een ware purist. Het gevoel dat erachter zit is dat je zelf niet zo goed speelt, maar de ander zo slecht. Natuurlijk is het punt belangrijk, maar de manier waarop dat punt tot stand komt maakt de kunst in het schaken.

Momenteel heb ik nog een partij die ik wil aanleveren voor de site. Op deze manier kunnen andere spelers genieten (of juist niet) van mijn kunst. De partij heb ik zelfs een naam gegeven: De parel van Heiloo. Graag zie ik ook partijen van anderen op site.

Bob Stolp
20-02-2010


De door Bob genoemde partijen kun je hier naspelen.



Examen

Ik heb kritiek gekregen van beide lezers van mijn vorige column (mijn ouders), wegens te onduidelijk. Daarom besloot ik nu een nog vager onderwerp te kiezen: het examen. Dit lijkt namelijk verdacht weinig met schaken te maken te hebben, hoewel er natuurlijk de jaarlijkse schaakexamens bestaan. Maar net als de echte examens waren deze in mei, dus is dit ook nog eens een gedateerd onderwerp. Heb ik nog inspiratie? Iets actueels en schaakgerelateerd . . . Druk!

Dit slaat eigenlijk nergens op. Maar, voor en tijdens examens heb je last van een hoop druk. En ook drukte trouwens. Het slaat ook op de altijd gezellige schaakvrijdagavond. Met het enorme aantal onrustige jongeren noem ik - en vele met mij - het druk. Laat staan de partij zelf. Of het nu een toppartij of een keldertoppartij is, bij beide spelers zijn meestal erg nerveus. Want er rust toch een behoorlijke druk op de schouders. Dan begint de partij met . . . juist: een stevige handdruk. Tijdens de partij zijn het vooral de zweetdruppels die geen last van druk hebben, ze rollen met bosjes over het gezicht heen.

Maar: vergeet niet de klok in te drukken! En zorg wel dat je dat op tijd doet, dan hoef je niet veel angst te verdrukken. En tenslotte het einde van de partij, als de verliezende koning letterlijk onder de druk bezwijkt; hij gaat er verstandig bij liggen. Dan valt alle druk weg, of niet? Nee. Na de partij beginnen lever en bierviltjes onder druk te staan, en pas na twaalven ligt alleen het hoofdkussen er wat bedrukt bij. Dat wordt opdrukken de volgende ochtend.

Wat een drukke column. De moraal van het verhaal: hoeveel keer viel het woord ´druk´ te lezen? Nee, niet tellen joh! Maak je niet druk!

Bert Hollander
13-02-2010


Openingen

Openingen zijn van groot belang. Dat geldt ook in schaken. En schakers beseffen zich vaak maar al te goed hoe belangrijk openingen zijn. Er is zelfs een klasse van schakers die uitsluitend in openingen geinteresseerd zijn - voor deze schakers is de opening niet slechts voorspel, maar ook hoogtepunt. Schakers van deze klasse kennen vaak een opening zoals het Siciliaans of het Spaans tot in de puntjes: soms kennen ze wel 25 zetten theorie, en ook zijvarianten.

Tegen schakers van dit slag is het doorgaans lastig spelen. Met goede moed speelt men een opening waarvan men een paar zetten kent, niet vermoedend dat de tegenstander een soort wandelend theorieboek is betreffende deze opening. In feite speelt men dan, zolang men zich in theoretisch uitgewerkte varianten bevindt, tegen de hele verzameling grootmeesters en computerprogramma's die aan de ontwikkeling van deze opening hebben bijgedragen. En daar zit men dan als clubschakertje, tegen een theorieboek te spelen. De enige hoop die men nog heeft is dat men niet strak verloren uit de theorie weet te geraken, om eindelijk de schaker van vlees en bloed te treffen die achter het bord zit. Dan pas kan het schaken beginnen, en blijkt niet zelden dat de openingstheoreticus verder nauwelijks kan schaken. Maar niet zelden hebben ze vanuit de opening een dusdanig voordeel behaald dat ze makkelijk spel hebben. En zo kan het dus gebeuren dat men van een iemand verliest wiens cognitieve prestatie voornamelijk bestaat in het raadplegen van de openings-database die in zijn hersenen is opgeslagen.

Verliezen is al vervelend, maar verliezen van iemand die geen van zijn zetten zelf bedacht heeft, verliezen zonder dat er echt geschaakt is, is wel erg onbevredigend. Je bent immers naar de club of een toernooi gekomen om de gedachtenkrachten te meten met een andere feilbare clubschaker, maar daar komt het niet van omdat uw tegenstander winnen belangrijker vindt dan schaken. Op deze wijze bedreigen de goedbedoelde openingsboekjes het echte schaken.

Gelukkig kunt u zich tegen de openingstheoretici wapenen. Een eerste mogelijkheid is natuurlijk de theorieboekjes nog grondiger te bestuderen dan uw tegenstanders, zodat u de theoretische varianten met de openingstheoreticus mee kunt spelen. Het minste erge hiervan is nog dat dit enorm veel tijd kost, tijd die de gemiddelde clubschaker, niet geheel onterecht, niet in schaken wil investeren. Veel erger is dat u zelf een schaker van dit slag wordt - u verwordt tot datgene wat u het meest veracht en haat: een boekjesschaker, een wandelde schaak-database, een varianten-vat. Zo helpt u mee aan de ondergang van het menselijke in schaken. U bent in feite door de openingsmachine geusurpeerd: 'We are the Grob. You will be assimilated.'

Een betere mogelijkheid is de openingstheorie in uw partijen zo veel mogelijk te ontwijken. U probeert dan partijen op te zetten op een wijze die niet in de boekjes wordt behandeld. Maar ook aan deze strategie kleven nadelen. Ten eerste geldt tot op zekere hoogte dat men de theorie moet kennen om deze theorie te kunnen ontwijken. Anders kan men bijvoorbeeld denken met een bepaald zetje de theorie te ontwijken, terwijl die zet in de openingstheorie juist uitvoerig behandeld wordt. Ten tweede geldt dat openingen die in de boekjes echt niet behandeld worden, ook gewoon echt slecht zijn. Je neemt dan dus een groot risico door echt alle theorie te willen ontwijken.

De beste mogelijkheid is misschien een systeem te spelen. Een systeem is niet echt een opening maar meer een plan voor de ontwikkeling van je stukken, zonder dat je aan een bepaalde zetvolgorde gebonden bent, of dat de specifieke zetten van je tegenstander heel veel verschil maken voor jouw eigen spel in de opening. Meestal blijven systemen redelijk gesloten stellingen, zodat er niet snel combinaties in de stelling komen en men in de opening niet snel een echte blunder begaat. Men moet zelf wel wat begrip hebben van de systemen die men speelt, want vaak doen de systemen in eerste instantie wat onnatuurlijk aan. Men moet het plan achter de systemen begrijpen. Maar als men geruime tijd hetzelfde systeem speelt, heeft men al heel wat meer ervaring met dat systeem dan de meeste tegenstanders die men treft. En hoewel er heus wel theorie is betreffende systemen, is deze theorie meer beperkt en is het minder noodzakelijk deze theorie tot in de puntjes te kennen. Het is meer van belang de algemene plannen van een systeem te kennen dan allerlei nuances wat betreft zetvolgorde en combinaties. Zo kan men aan een systeem een openingsplan hebben dat veelzijdig is, flexibel, theoretische varianten vermijdt en weinig voorbereidingstijd vereist. Voorbeelden van systemen zijn bijvoorbeeld De Leeuw, koningsindische systemen, en dame-indische systemen. Misschien zal ik over een tijdje een column schrijven over mijn favoriete systeem, speelbaar met zowel wit als zwart, zodat u eens kunt kijken of een dergelijk systeem bij u past.

Een leuke ontwikkeling is ook dat er allerlei schaakvarianten opgeld doen die geënt zijn op het ontwijken van openingstheorie. Ik denk hierbij met name aan Fischer Random Chess en Chess 960. Bij deze varianten op het gewone schaken geldt een andere beginopstelling, welke op toevalsbasis wordt bepaald. Je database van partijen met het siciliaans kan dus de prullenbak in, want de kans dat de gebruikelijke beginopstelling wordt gegeneerd is klein. Op deze manier wordt openingstheorie uitgeschakeld, zodat de schakers als schone leien achter het bord plaatsnemen en een werkelijke krachtmeting kan ontstaan tussen schakers van vlees en bloed.

Op onze club wordt helaas nog weinig aandacht aan deze varianten besteed. Daar moet wat mij betreft verandering in gebracht te worden. Mijn voorstel zou zijn om een paar keer per seizoen een aantal korte partijen (rond de 20 minuten) Fischer Random of Chess 960 te spelen, en hier een kleine competitie van te maken. Momenteel hebben we een dusdanig kort seizoen (ook vergeleken met andere verenigingen) dat we gerust nog een paar van die avonden in kunnen passen. Bij deze nodig ik het bestuur en de leden uit dit plan te bespreken. Wie het niet met dit plan eens is, is vermoedelijk een stiekeme openingstheoreticus die bang is ontmaskerd te worden.

Koen Kramer
6-2-2010


De columns

Op deze pagina staan de columns geschreven door clubleden van sv Vredeburg.